Drijfveren

een project over beeldspraak (2015)

Ongehinderd door voorkennis van achterliggende motieven werkten Judith Schepers (beeld) en Mia van Jeveren (tekst) aan een serie, waar tekst en beeld elkaar ontmoetten. De tekening ontlokte de tekst, deze riep een nieuw beeld op, en daaruit volgde een nieuwe tekst. Er ontstond een groeiend domein waar hersenschimmen, illusies en begoocheling zich openbaarden. Drijfveren en oorsprongen waren de pijlers, gemeenplaatsen werden gemeden, evenals valse sentimenten.

  • 14
    Zinken
    Diep brommend zwelt de grondtoon aan. Van ver weg over de einder komt het hierheen. De zon klimt uit de mist terwijl het water daalt. Smekkend ontsnappen kleine luchtbelletjes. Zwelwier ploft en doft en ligt kringelend in een mozaïek gezamenlijk te zijn. De lichtbaan naar het noorden legt het monster bloot. Zes ranke benen met spitzenvoeten woelen naar houvast. Het schild als een badkuip weerhoudt hem weg te zinken in de zuigende zandvlakte. Langzamer en langzamer malen de tere staketsels rond. Trillen, wuiven. De toon is met een terts gedaald, het afscheid vangt aan. Het lijf ligt opgediend in de schaal. Buiten beeld drentelen aaseters ogenschijnlijk toevallig langs. Onder hem plakt zijn schaduw als een afdruk uit een ver verleden aan het zware pantser. Hij ligt rug aan rug met de mammoet. Ooit was hij één van hen en dreunde hier, tot zijn poten in de drassige bodem zakten omdat het ijs verdween en de zee de wereld overnam. Weer zal hij de gang omlaag nemen. Zal hij kelderen en terugtuimelen naar daar waar de mammoeten wachten.
  • 13
    Gregor
  • 12
    Teloorgang
    Bonkend rijgt hij de ene stap naast de andere en zo gaat hij voort. Zijn kop wiegt mee. Rechts. Links. Rechts veert hij door maar komt terug als links al aanstalten maakt en naar voren valt. In zijn hoofd dreigen orgeltonen. De kaken vast, nekspieren verkrampen als hij naar beneden kijkt. Zijn knieën lijken te zweven, met moeite sturen ze de voeten voort en houden bedeesd contact met daarboven. Hij is het midden. Zijn taak is de voortgang. Terwijl hij koppig de orgeltonen ontkent mist hij het geroffel van minuscule prikjes die de gaten laten vallen. De gelederen roeren zich. Op zijn rug lopen de sporen, maar hij draagt zijn last als een pantser en waant zich veilig. Hij waant zich de koning. Triomfantelijk richt hij zijn blik naar buiten toe. Tot op een dag de huid zich samen spant en tegen het schild schuurt. Zweet bijt om zich heen en schrijnt de gaten verder open. Hij versnelt, maar inmiddels topzwaar wankelt hij en valt als een tor op zijn rug. En in de veilige kom verdringen de gelederen zich en doen zich te goed. Laven zich aan de gistende vruchten van hun werk. Vreten zich een weg door de wanorde die achterbleef. En ontpoppen zich.
  • 11
    In between
  • 10
    Dood
    In zijn achtertuin zakte de grote man op zijn knieën. ‘Net begonnen en dan al uit elkaar,’ somberde hij. Zijn stem ging verder omlaag tot het stokte. Er viel meer dan een stilte. Zijn dikke handen wrongen zich rond elkaar, huid op huid dat elke warmte, elke zachtheid binnen hield. Er spande afstand tot het kleine beestje. Hij verschoof zijn knie. Zandkorrels schuurden zijn broek tegen het plaveisel. Binnenin zijn handen wist hij andere handen die als tere nimfen tasten in het donker van zijn stugge vlees. Zijn hoofd wiegde op het lied dat troosten kon. Terwijl de grote handen het luchtei rond het beestje omvatte woei de wind de donzen veertjes op. Zijn vingertoppen tintelden, de nimfen reikten hun halzen. ‘Oh, neem mee,’ lispelden ze in zijn oor. ‘Neem het wezen mee. Wij zullen het voor eeuwig borgen. Want het geheel is meer dan de som der delen.’ En het lied dat troosten kon zette opnieuw in.
  • 09
    Dood
  • 08
    Zegeningen
    Wat weet hij ervan. Hij telt zijn zegeningen die als parachutes neerdalen. Kostbaar zaad ankert naar de landing toe en zal het verschil maken. Alleen hun aantal verzekert hen een explosie aan het leven toe te voegen. Wat weet hij ervan. Hij hoeft enkel zijn bek open te doen. Het ene na het andere blaaskaakt in hem rond en verwordt tot onzinnig gekras. ‘Eén voor één en allen voor allen’, schreeuwt hij. Niets van wat er op de akker groeit weet van wat ooit bewoog op de wind, van de wolk gedeelde missie, de verliezen en de landing. Doorgeschoten in de aarde zoekt het omlaag wat vastigheid en balt dan een groen vuistje naar boven. Wat weet hij ervan. Hij leeft in de leegte en heeft geen idee van tijd. Wat voorbij waait valt hem toe. Of niet. Dan fladdert hij verder.
  • 07
    Zegeningen
  • 06
    Tandenfee
    In de nagalm van het schot fladderen witte veertjes omlaag. Met een plof valt het lijfje op de omgewoelde akker. De vleugels gespreid, de ogen toe. De wind zingt. De tandenfee is uit de lucht geschoten. De jongen loopt over de akker. Vanuit de verte zwermen kraaien op hem toe. De lucht suist als ze langs hem scheren. Hun vette veren spiegelen inktblauw. Stemmen in zijn hoofd schreeuwen door elkaar, dringen voor, springen op en neer. Hij krijst tegen de krassende vogels in. De kraaien klappen hun vleugels op en neer, klauwen hun poten uit bij het neerdalen. In de grond glimmen kiezels als verloren melktanden. De kraaien schommelen er op af, klemmen hun snavel om de vondst en stijgen op. Hij grijpt kluiten aarde die zich niet laten breken. Vuistdikke kogels die zijn handpalm bezeren. Hij gooit en schreeuwt. Struikelt. Bloed sijpelt langs zijn slaap. In de nacht drommen de stemmen samen. Bekonkelen zijn toekomst. Kon hij maar horen wat er in zijn hoofd woedt.Kon hij maar filteren, zeven en de glimmende kiezels over houden. Maar in de ochtend is alles modder en is de aarde gesloten.
  • 05
    The Morrígan
  • 04
    Witte veen
    De wind slaat met vlakke hand mijn wang, mijn ogen tranen. Dreiging. Groeiende dreiging. Onder de verende bodem smekken glazige gedrochten. Stroef gras buigt ritselend terug. Voetstappen achter mij verwateren. Elzen hout doemt op en wijst onbedoeld de weg. Voorbij. Daar is voorbij. Ik sta stil en overzie de verte. Witte berken geven hun bast als het papier voor de afscheidsbrief. Ik doop mijn pen in het sepiazwarte water. Er zijn geen letters, enkel golfslagen. In mijn oren komen de kikkers. Hun mantra Dan tuimel ik de donkerte in. Ik zweef, ik tuimel om mijn as en streel de wortels. Een zachte deining in de brij. Ik slik, hou vast en laat los, verder, dieper. Leg me neer op geluiden. Ik ontaard tot moeras en verval. Tot in het merg gelukkig.   Je dacht het maar. Voor je voeten spiegelt het zwarte water. De oude eik steunt je in de rug. En in je handen houdt je haar hoornen haarspeld. Ze is niet meer. Ze is daar, voor eeuwig in de einder.
  • 03
    Roaring stag